075.
Bijbelstudie over
HET
LICHT DER WERELD - HA’OR HA’OLAM
,lvih rvah
Zowel Joden alsook christenen vieren in de donkere decembermaand een
lichtenfeest als teken van hoop en overwinning in deze koude en onbehaaglijke
tijd vol dreiging en gevaren. Josephus Flavius
noemde Chanuka daarom reeds in de eerste eeuw
van de gewone jaartelling al het "feest van het licht", omdat dit
aspect een centrale plaats inneemt. Het is dus ook beslist geen toeval, dat dit
lichtfeest begint op 25 Kislev. Het 25e
woord in de Tora is in het Hebreeuws namelijk
het woord rva or, hetgeen "licht" betekend. Daarom is de 25e bij
uitstek voorbestemd om een feest van het licht te zijn. Sinds vele eeuwen leven
christenen in de Adventstijd toe naar het Kerstfeest, het lichtenfeest op 25 december,
waarop zij het grote wonder gedenken dat de Messias in Betlehem op aarde kwam
om ons Licht te geven in deze duistere wereld, want Hij is het Licht der
wereld. Joden vieren eveneens sinds vele eeuwen op de 25e van de
maand Kislev, die de maand december overlapt,
het lichtenfeest Chanuka om het grote wonder te
gedenken dat de Eeuwige na de herinwijding van de verontreinigde tempel in
Jeruzalem de lichten van de Menora 8 dagen en 8 nachten lang liet branden met
slechts één kruikje geheiligde olie. Beide winterfeesten vinden plaats op de 25e
van ieders eigen maand binnen dezelfde periode rondom het licht dat uit de
hemel kwam. Zo staan de christenen op pakjesavond voor de lichten van de
kerstboom het “Stille Nacht heilige Nacht” te zingen terwijl de Joodse kinderen
hun cadeautjes uitpakken met het lied “Maoz Tzur”
op hun lippen na het aansteken van de lichten van de achtarmige kandelaar. De
parallel van de chanukalichtjes met de
kerstlichtjes alsook het feit dat beide feesten op de 25e gevierd
worden maakt de verleiding heel groot om Chanuka
te zien als een soort Joods kerstfeest. Deze visie
is weliswaar lumineus, dus schitterend, maar zeer zeker ook dubieus, dus
twijfelachtig. Het is namelijk een feit, dat Yeshua
namelijk helemaal niet in december geboren is, maar ergens in de maand
september. Tot deze conclusie komen wij, als wij de Joodse geschriften
nauwkeurig bestuderen. De echtgenoot van Elisheva
[Elizabeth], de priester Zechar’ya [Zacharias],
had namelijk in de maand Tamuz [juni/juli]
tempeldienst toen de engel Gavri'el [Gabriël]
aan hem verscheen. Enkele dagen daarna werd Elisheva
zwanger en zes maanden later verscheen Gavri'el
eveneens aan Miryam [Maria]. Ruach haQodesh [de Heilige Geest] kwam over haar en
zij werd toen ook zwanger. Dat gebeurde dus in de maand Tevet [december/januari]. Als wij negen maanden verder tellen, kan
Yeshua dus alleen in de maand Tishri (september/oktober) geboren zijn. Hoe kunnen
we nu precies weten, wanneer Zechar’ya de
tempeldienst moest verrichten? Welnu! In Lucas 1:5 lezen wij: "Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea,
een priester, genaamd Zechar’ya, behorende tot
de afdeling van Aviya [Abia], en zijn vrouw was
uit de dochters van Aharon [Aäron] en haar naam
was Elisheva [Elisabeth]." - Uit deze
tekst blijkt, dat Zechar’ya tot de afdeling van
Aviya behoorde. Iets verderop lezen wij: "En het geschiedde, toen hij de
priesterdienst voor G'd verrichtte in de beurt zijner afdeling, dat hij door
het lot werd aangewezen, volgens de regel van de priesterdienst, om de tempel
van Adonai binnen te gaan en het reukoffer te
brengen." - Om te zien, wanneer de afdeling van Aviya, waartoe Zechar’ya
behoorde, aan de beurt was, moeten wij het boek a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 24:1-10 raadplegen. Daarin
lezen wij dat men de priesters in 24 afdelingen door loting indeelde. Om de
beurt, per 14 dagen, verrichtten zij de tempeldienst. Aviya,
de dienstgroep van Zechar’ya, wordt in vers 10
als achtste genoemd en daaruit kunnen wij afleiden, dat Zechar’ya in de maand juli de taak had om in de tempel te dienen.
Het bijbelse jaar begint immers met de maand Nisan
(maart/april) en de vierde maand, waarin dus de achtste groep tempeldienst had,
was Tamuz (juni/juli). Het was derhalve dus
begin juli, dat de engel Gavri'el in de tempel
aan Zechar’ya verscheen om hem de geboorte van
zijn zoon Yochanan aan te kondigen. Kort daarna
werd zijn vrouw Elisheva zwanger en zes maanden
later, begin januari kwam Ruach haQodesh (de
Heilige Geest) over Miryam [Maria] en zij werd
eveneens zwanger (Lucas 1:26). Yeshua haMashiach
werd negen maanden later, dus ergens in september geboren. De kerstlichtjes op
25 december hebben derhalve niets met de geboorte van onze Joodse Mashiach te
maken, en zeker niets met Chanuka, maar vinden
hun oorsprong bij het heidense zonnewendefeest dat reeds eeuwenlang op dezelfde
datum gevierd werd. Het was de keizer Constantijn, die het vroege christendom
met het heidendom vermengde en zijn verering van de zonnegod heeft ertoe geleid dat men kerstmis op 25 december, het
populaire feest van “Sol invictus” [de
onoverwinnelijke zon) ging vieren en daarmee rukte deze Romeinse keizer de
Joodse Messias Yeshua niet alleen los van het
Joodse volk om de Gemeente daardoor haar oorspronkelijke Joodse identiteit te
ontnemen, maar hij koppelde Zijn geboorte nu ook nog aan een heidens feest! De
dag waarop sindsdien de christenen van de meeste denominaties wereldwijd de
geboorte van Jezus Christus herdenken is
echter niet alleen bij de Romeinen en Grieken een afgodisch feest van bijgeloof
geweest, maar van oudsher verjoegen ook de Germanen, de Vikingen en de Kelten
de boze geesten en vierden rond de 25e december het feest van de
terugkeer van het licht, het zogenaamde midwinter- of joelfeest. Doordat keizer
Constantijn de geboortedag van Christus op de
25e december vastlegde, versmolt rond het jaar 381 ook in de
gekerstende Noord-Europese landen het heidense feest van het licht met het
christelijke feest van het licht en van de vrede. Zo maakte de rooms-katholieke
kerk op deze manier handig gebruik van de enorme populariteit van het joelfeest
om het christendom verder onder de heidenen te verspreiden, want ook in dit
Germaanse midwinterfeest staat het licht centraal. Dan staat immers de zon op
het laagste punt en is de langste nacht overwonnen. Het licht keert weer terug
en de dagen zullen weer langer worden. Ook hebben van oudsher allerlei
boomrituelen tijdens het midwinterfeest plaatsgevonden. Zo werd de levensboom
met blinkende ballen versierd. Volgens het oude bijgeloof bezaten deze heksenballen
namelijk met hun blinkende uitstraling een onheil en heksen afwerende kracht en
ook de talrijke boze geesten zouden erdoor gehypnotiseerd raken en dan in de
ballen gevangen worden. Sommige oervolken hingen slingers in de levensboom om
de boomgeest mild te stemmen. En zo komen ook de kerstballen en de
kerstslingers evenals de kerstboom voort uit bijgeloof en de tradities van het joelfeest!
Deze boomrituelen zoals de kerstbomen in de kerk zijn echter een gruwel in
de ogen van Adonai, want reeds de profeet Yir'm’yahu [Jeremia] waarschuwde nadrukkelijk voor
deze heidense praktijken: “Zo zegt de Eeuwige: Gewent u niet aan de weg der volken en
schrikt niet voor de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor schrikken.
Want de handelwijze der volken, die is nietigheid: want als een stuk hout heeft
men het uit het woud gehakt, arbeid van werkmanshanden met de bijl, met zilver
en goud siert men het op, met spijkers en hamers maakt men het vast, zodat het
niet waggelt” (vhymry
Yir’m'yahu [Jeremia] 10:2-4). In
het Germaanse joelfeest vindt overigens ook de kerstman zijn oorsprong, want in
de noordpoolgebieden en in Scandinavië vereerde men de tussen hemel en aarde
reizende god Odin, die vaak in gezelschap van
rendieren werd afgebeeld. Ze kwamen via de rookgaten [schoorstenen] de huizen
binnen. Om hen gunstig te stemmen legde men ’s nachts voedsel voor hen neer.
Veel kerstgebruiken komen dus voort uit puur bijgeloof en afgoderij. Daarom is
het haast onbegrijpelijk dat de meeste christenen hier geen kwaad in zien en
elk jaar opnieuw die groene afgod in hun huis en in hun kerk halen en tot op
heden blijven vasthouden aan de verkeerde datum. In Amerika maken ze er
helemaal een potje van, want daar heeft men er een mix van Kerstmis en Chanuka gemaakt en “Christmukkah” genoemd. Er bestaan
zelfs CD’s met klezmer-kerstliedjes en speciale
wenskaarten met “Merry Mazzeltov!” In het
dagblad “Trouw” van vrijdag 3 december 2004 werd daar uitgebreid aandacht aan
besteed: “De christelijke en de joodse feestdag delen weinig meer dan een
kalenderblaadje, maar de doelgroep van de Mixed Blessings is groot. Naar
schatting tweeënhalf miljoen families in de Verenigde Staten tellen zowel
christelijke als Joodse leden. Mixed Blessings was vijftien jaar geleden een
van de eerste die met interreligieuze wenskaarten begon. In het eerste jaar
werden drieduizend kaarten verkocht, dit jaar al tweehonderdduizend. Ook bij
Hallmark zijn de combinatiekaarten een populaire categorie, net als bij
American Greetings Corporation. Christmukkah is de nieuwste speler. Oprichter
Ron Gompertz liet zich voor de naam inspireren door een episode uit de
populaire Foxtelevisieserie 'The O.C.', waarin het karakter Seth Cohen de term
muntte. De kaarten zijn humoristisch of minstens zo bedoeld: een kerstboom versierd
met dreidels, drie sneeuwpoppen waarvan één een keppeltje en een gebedsmantel
draagt, een rendier met een gewei in de vorm van een Menora.
Ron Gompertz zit nu te broeden op wenskaarten voor Pasen annex Pesach. Een karakter heeft hij al: Rabbi Rabbit.” Tot
zover het Dagblad “Trouw”. Het moet toch niet gekker worden! Laten we ophouden
met het vermengen van Bijbelse feesten en heidense tradities. Ik zou me best
kunnen voorstellen dat u nu zit met de brandende vraag of de gelovigen uit de
volken, die dus vanuit bijbels oogpunt gezien geen kerstmis meer kunnen vieren,
in plaats daarvan dan wel mogen meedoen aan het Joodse lichtenfeest Chanuka. Wel, in ]nxvy Yochanan [Johannes] 10:22 lezen we dat ook Yeshua dit feest vierde en dat lijkt mij voldoende
reden zowel voor Messiasbelijdende Joden alsook voor gelovigen uit de volken om
het eveneens te vieren. Er staat immers geschreven: “Wie zegt, dat hij in
Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft” (a ]nxvy Yochanan
alef [1 Johannes] 2:6).
Instelling van het
Chanuka-feest
De opdracht om Chanuka te vieren vinden
wij in het bijbelboek 2 Maccabeeën 10:1-8, dat tot de deuterokanonieke boeken
behoort. Daar staat aldus: "Yehuda haMakabi
[Judas Makkabeüs] en zijn mannen namen, geleid door de Eeuwige, de tempel en de
stad weer in bezit. De altaren die door ,yvg Goyim [heidenen]
op het marktplein waren neergezet, haalden ze omver, en ook de heiligdommen die
daar waren gebouwd. Nadat ze de tempel hadden gereinigd, maakten ze een nieuw
altaar. Ze sloegen nieuw vuur en brachten voor het eerst na twee jaar weer
offers. Ook brandden ze wierook, verzorgden de lampen en legden weer toonbroden
neer. Toen dit alles gedaan was, bogen ze diep voorover en smeekten de Eeuwige
om hen nooit meer met zulke rampen te overvallen, maar hen, wanneer ze ooit
weer zouden zondigen, met mildheid te straffen en niet uit te leveren aan
heidense barbaren. Op dezelfde dag van dezelfde maand dat deze door
vreemdelingen was ontwijd, op 25 Kislev, vond
de reiniging van de tempel plaats. Vol vreugde vierden ze acht dagen lang
feest, zoals dat ook voor het Loofhuttenfeest gebruikelijk is, en ze dachten
eraan hoe ze nog maar kort geleden het Loofhuttenfeest hadden moeten vieren in
holen in de rotsen, als dieren in het wild. Ze droegen met loof versierde
stokken, groene twijgen en palmtakken en zongen lofliederen op hem die hen in
staat had gesteld zijn huis te reinigen. Bij algemeen besluit werd bepaald dat
het hele Joodse volk voortaan ieder jaar deze dagen zou vieren.” Op 25 Kislev
van het jaar 164 vóór de gewone jaartelling werd het altaar gereinigd en de
tempel opnieuw ingewijd, vernieuwd en daarom heet Chanuka
dan ook het inwijdingsfeest of het feest van de tempelvernieuwing. Het is
onvoorstelbaar: een klein volkje vocht tegen het machtigste leger van de
toenmalige wereld en kwam als overwinnaar uit de strijd! Dat is al een wonder
op zich, maar op deze dag vond nog een veel groter wonder plaats! In het Talmud wordt aan ons verteld dat men op het moment,
dat men de zevenarmige tempelkandelaar, de hrvnm Menora in de tempel wilde ontsteken, slechts één
kruikje met geheiligde olie vond, waarop het zegel van de laatste hogepriester
stond. Maar dat was net genoeg voor één dag. Toen voltrok zich een wonder, want
het kruikje bleef maar schenken tot er na acht dagen nieuwe reine olie
aangevoerd kon worden. (Talmud-tractaat tb> Shabat 21B). Daarom staan op de ldyyrd Drejdl, een draaitol waarmee de Joodse kinderen
tijdens Chanuka spelen, ook de Hebreeuwse
letters n nun, g gimel, h he, en > shin, de
afkorting van: ”,> hyh lvdg cn Nes gadol haya sham
- een groot wonder vond daar plaats”. De Tempel was gereinigd en het licht van de kandelaar kon weer onbeperkt
schijnen in deze door de Eeuwige gewijde ruimte. Dit wonder is voor het Joodse
volk reden om dit ieder jaar te herdenken en tijdens de acht avonden van het
feest de lichtjes van de kandelaar aan te steken, vanaf de eerste tot en met de
achtste avond. Daarom heeft ieder Joods huis een achtarmige kandelaar in bezit,
die vanwege de naam van het feest Chanukia
wordt genoemd. Het licht, dat de Menora in de
Tempel verspreidde, vertegenwoordigde de aanwezigheid van de Eeuwige, en daarom
was het een G’ddelijk voorschrift, dat de Menora
ook altijd moest branden (tvm> Sh’mot [Exodus] 27:20). Er staat immers geschreven:
“De Eeuwige is mijn Licht en mijn heil, voor wie
zou ik vrezen?” (,ylht Tehilim [Psalmen] 27:1).
Yeshua kan en
mag dus op geen enkele wijze in verband gebracht worden met het heidense
lichtfeest dat ten onrechte kerst genoemd wordt, maar Hij staat daarentegen
volledig centraal in het Joodse lichtfeest, dat Hij zelf ook gevierd heeft,
hetgeen duidelijk blijkt uit het gedetailleerde verslag van Yochanan: "En het was het feest der tempelwijding (Chanuka)
te Jeruzalem, en het was winter. En Yeshua
wandelde in de Tempel, in de zuilengang van Sh’lomo
[Salomo]. De Yehudim omringden Hem en zeiden
tot Hem: Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Mashiach zijt, zeg het ons dan ronduit" (]nxvy Yochanan [Johannes] 10:22-24). Het is geen toeval dat
zij Hem juist tijdens het feest van het Licht deze vraag stelden, want enkele
dagen eerder zei Hij over zichzelf, dat Hij het ware Chanukalicht
is, dat nooit dooft: "Ik ben het Licht der wereld, wie Mij volgt, zal nimmer
in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben" (]nxvy Yochanan [Johannes] 8:12). Met
deze woorden onthulde Yeshua Zijn ware identiteit, want reeds David heeft geschreven: “De
Eeuwige is mijn Licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?” (,ylht Tehilim [Psalmen] 27:1). Nogmals legde Hij de nadruk op dit aspect van
het Chanukafeest in hoofdstuk 9, vers 5: "Zolang
Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld." Yeshua, het Licht der wereld, is niet gekomen om
gediend te worden, maar om te dienen. Hij is de >m> Shamash, de dienaar, het negende licht van de Chanukia, waarmee de andere lichten ontstoken en
geheiligd worden. Ondanks het feit, dat Yeshua
Zijn ware identiteit openbaarde, werd Hij door de leiders van het volk niet als
zodanig herkend en erkend. Dit feit wordt door Yochanan
reeds in het eerste hoofdstuk duidelijk beschreven: "In het Woord was
leven en het leven was het licht der mensen, en het licht schijnt in de
duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van
G'd gezonden, wiens naam was Yochanan, deze
kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven
zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het
waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was
in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet
gekend". (]nxvy Yochanan
[Johannes] 1:4-10). Laten wij er even bij stilstaan, dat Yeshua ons nog vlak voor Zijn verzoenend lijden en
sterven eraan herinnerde, dat Hij dit
waarachtige Licht is: "Nog een korte tijd is het Licht onder u.
Wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalle; en
wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Gelooft in het
Licht zolang gij het Licht hebt, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn"
(]nxvy Yochanan [Johannes]
12:35-36). Zoals de Chanukia altijd wordt
aangestoken met de Shamash, kunnen wij alleen
maar lichtdragers worden wanneer Yeshua Zijn
Licht aan ons doorgeeft. “Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op,
genadig en barmhartig en rechtvaardig” (,ylht Tehilim [Psalmen] 112:4). Yeshua is het Licht der Wereld: "Het
waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld" (]nxvy Yochanan [Johannes] 1:9).
De openbaring van de Mashiach en Zijn eerste komst bracht licht, namelijk de kennis die
bevrijding geeft van wat de bijbel duisternis noemt, de duistere wereld van de
natuurlijke mens, gevangen in zonde en dood, maar de Mashiach brengt licht,
brengt kennis over de bevrijding uit zonde en dood. Hebt u ooit nagedacht over
het onderscheid tussen de fysieke duisternis en het licht? Duisternis is gewoon
afwezigheid van licht! En is het leven hier op aarde niet onverbrekelijk
verbonden met het licht van de zon? Zonder de zon zouden alle fysieke
levensvormen op deze planeet sterven. Yeshua, het Licht der wereld, komt tot de Zijnen om hen uit de
duisternis te halen, een duisternis die ontstond door de val van Adam toen zonde en dood in
de wereld kwamen (Rom. 5:12). Het aannemen van dit licht betekent leven: “Want
bij U is de bron des levens, in Uw licht zien wij het licht” (,ylht Tehilim [Psalmen] 36:10). Yeshua is het Licht der wereld. Hij
heeft Zijn taak echter vervuld en is teruggekeerd naar Zijn Vader, die in de
hemelen is. Maar eens zal Hij terugkomen en opnieuw Zijn licht laten schijnen
over de heilige stad Yerushalayim, want er staat geschreven: “Sta
op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van Adonai gaat over u op. Want zie,
duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de
Eeuwige opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen
opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. - De zon zal u niet
meer tot licht zijn bij dag, noch de maan tot een schijnsel voor u lichten;
maar de Eeuwige zal u tot een eeuwig licht zijn en uw G’d tot uw luister. Uw
zon zal niet meer ondergaan en uw maan niet meer afnemen, want de Eeuwige zal u
tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 60:1-3 en 19-20). Wij
hebben dus een prachtige toekomst- verwachting, maar totdat het zover is roept
Hij ons op, om het licht van Hem over te nemen: "Gij zijt het licht der
wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt
men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij
schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de
mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is,
verheerlijken" (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 5:14-16). Hier vinden we in Yeshua haMashiach duidelijk de vervulling van Chanuka, want het ging immers om de herinwijding van
de tempel en Yeshua heeft gezegd: “Meer dan de tempel is hier!” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 12:6). Daarom is Chanuka ook voor ons het feest van vernieuwing omdat
we zelf een Tempel van de Heilige Geest zijn en daarom moeten we rein zijn en blijven van heidense en occulte invloeden. Ook moet
onze lamp voortdurend branden, zodat door ons heen G’ds licht in deze duistere
wereld kan schijnen. Als de zon in een donker vertrek door een klein raampje
naar binnen schijnt, dan ziet men door haar stralen ontelbare vezeltjes en
stofdeeltjes in dat gedeelte van het huis, waar het licht schijnt, waardoor wij
dan begrijpen, dat eigenlijk het hele huis vol stofjes is. En zo is het ook als
de Zon der gerechtigheid opgaat en schijnt in de duistere hoeken van het hart
van een zondaar, en daar dan allerlei vezeltjes en vlekken ontdekt, dan wordt
het duidelijk, dat het gehele hart en de gehele natuur vol is van het stof der
zonde, want: “Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden
in het licht van Uw aanschijn” (,ylht Tehilim [Psalmen] 90:8). “Hij
openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister
is, en het licht woont bij Hem” (laynd Dani’el [Daniël] 2:22). “Want de G’d,
die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in
onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid G’ds in het
aangezicht van de Mashiach”
(2 Korinthiërs 4:6). Bij het sterrenlicht kunnen wij wel sommige dingen zien en
bij het maanlicht nog meer, maar bij het licht van de zon zien we het meest en
zo kunnen wij door het licht van de natuur wel eens sommige zonden te zien
krijgen, en door het licht van de Tora nog
veel meer, want de Tora doet ons de zonde kennen, maar
door het licht van de Zon der gerechtigheid worden ze het duidelijkst
zichtbaar. Het maanlicht van de Tora kan
echter het probleem slechts aanwijzen maar niet verhelpen, maar het zonlicht
van de B’sora Tova [Blijde Boodschap] geeft zowel
de diagnose alsook de genezing, want de Zon der gerechtigheid gaat op met
genezing onder hare vleugelen (ykalm Mal’achi [Maleachi] 4:2). Blijf daarom
schuilen onder Zijn vleugelen en val niet terug in het oude leven, “Want gij waart vroeger duisternis, maar
thans zijt gij licht in de Eeuwige; wandelt als kinderen des lichts, want de
vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid, en
toetst wat de Eeuwige welbehaaglijk is. En neemt geen deel aan de onvruchtbare
werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs
schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat
alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de
dag komt is licht.” (Efeziërs 5:8-13). “Vormt
geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met
wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?” (2
Korinthiërs 6:14). Als wij kinderen des lichts zijn, dan moeten wij evenals Yeshua allemaal als Shamashim, als dienaars fungeren op de
ontelbare Chanukiot in deze wereld en het licht dat
wij ontvangen hebben ook weer doorgeven. Licht heeft als eigenschap dat het
zich in het luchtledige rechtlijnig voortbeweegt en nooit uit zichzelf van
richting zal veranderen. Alleen wanneer het uitgestraalde licht een voorwerp of
een persoon op zijn weg vindt zal het licht worden gereflecteerd. Zolang het
licht niets op zijn weg vindt en er dus ook niets wordt verlicht én er als
gevolg daarvan geen reflectie plaatsvindt is het resultaat slechts duisternis.
In de geestelijke wereld is er slechts één lichtbron en dat is de Eeuwige en
daarmee doel ik zowel op de Vader alsook op de Zoon die de Vader hier op aarde
vertegenwoordigt. Yeshua liet ons over Zichzelf namelijk
weten in ]nxvy Yochanan
[Johannes] 8:12: “Ik
ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen,
maar hij zal het licht des levens hebben”. Yochanan
haShaliach [de apostel Johannes] schreef over Yeshua: “Het waarachtige licht, dat ieder mens
verlicht, was komende in de wereld” (]nxvy Yochanan [Johannes] 1:9), terwijl
ver daarvoor Yeshayahu haNavi [de profeet Jesaja] al over de komst van de Mashiach profeteerde: “Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet
een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt
een licht” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 9:2). In vhyttm Matityahu [Matthéüs] 4:16
wordt deze profetie letterlijk op Yeshua toegepast: “Het
volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen,
die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan.”
Het licht dat van G’d uitgaat is Zijn liefde en die liefde bestraalt ons. De
overeenkomst met het natuurlijke licht is nu dat G’ds licht, Zijn liefde, nooit
naar Hem terugkeert. In 1 Korinthiërs 13:5 schreef Sha’ul over de liefde
namelijk: “....zij zoekt zichzelf
niet...”. G’ds liefde (die zichzelf niet zoekt) is altijd op de ander gericht.
Zij gaat van haShem uit en keert nooit terug. Tenzij... Zijn liefde een mens
op zijn weg vindt en vervolgens wordt teruggekaatst naar de hemelse Lichtbron: de
Eeuwige zelf. Liefde die niet terugkeert omdat ze niet wordt teruggekaatst is
verspilde liefde die voorgoed in het eindeloze niets verdwijnt. Omdat dit
beslist niet is wat de Eeuwige wil zien gebeuren schiep Hij ons. Yochanan schreef hier al
over met de woorden: “Het waarachtige
licht, dat ieder mens verlicht”. Wat G’d van de mens verwacht is (samengevat)
dan ook niets anders dan dat de mens Zijn liefde reflecteert en dus terugkaatst
naar de Schepper. Er zijn veel mensen die dat zeer bewust niet doen. Die mensen
blijven daarom onzichtbaar voor de Eeuwige want waar Zijn liefde niet
teruggekaatst wordt ziet Hij slechts een (geestelijke) inktzwarte duisternis.
Een zelfde inktzwarte duisternis zoals we die in het eindeloze heelal op die
plaatsen aantreffen waar al het aanwezige licht voorgoed in de eindeloze verte
verdwijnt en nooit terugkeert. Natuurlijk zijn het bestaan en de daden van deze
in duisternis levende mensen niet voor Adonai verborgen want Hij is als hemelse Rechter van alles op de
hoogte. Toch zijn ze voor de Eeuwige “onzichtbaar” omdat Hij niets van Zichzelf
in hen terugvindt. Zowel binnen het Christendom alsook binnen het Jodendom
komen wij dergelijke toneelspelers helaas maar al te vaak tegen, die in de ogen
van veel mensen doorgaan voor “mannen G’ds”. De Bijbel geeft met betrekking tot
deze mensen een duidelijke waarschuwing: “Wee
hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen
als licht en licht als duisternis” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 5:20). Hun zorgvuldig
opgebouwde reputatie kunnen ze overeind houden omdat ontelbare met geestelijke
blindheid geslagen gelovigen domweg niet in staat zijn om hun huichelachtigheid
vanuit de bijbel aan te tonen. De realiteit is echter dat voor deze, zowel aan de
Tora alsook aan het Evangelie
ongehoorzame schijnapostelen geldt wat Yeshua over hen zei: “Dit is het
oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis
liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 3:19).
Konden deze dienaren van de duisternis tijdens hun leven nog hun
schijnheiligheid overeind houden, zodra ze tegenover de hemelse Rechter komen
te staan wordt dat een compleet ander verhaal. Ook voor de vele kinderen G’ds
die door hun schrikbarend matige bijbelkennis niet in staat zijn om onderscheid
te maken tussen de echte discipelen van Yeshua en de bedriegers dreigt groot onheil. Zo zijn er massa's gelovigen
die het verschrikkelijk druk hebben met veel zaken die het koninkrijk G’ds niet
dienen terwijl ze aan de Bijbel niet of nauwelijks toekomen. En dat is nu
precies wat satan
wilde bereiken. Er zullen namelijk zwaardere tijden aanbreken waarin de
geestelijke duisternis zo sterk aanwezig zal zijn dat iedere gelovige die G’ds
Woord verwaarloost een makkelijke prooi zal zijn voor de wetteloze
(leugen)geesten die de wereld zullen overspoelen. Dat komt opvallend overeen
met de nadrukkelijke waarschuwing in i>vh Hoshea [Hosea] 4:6: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek
aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen
priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw G’d vergeten hebt, zal
ook Ik uw zonen vergeten”. Dat gebrek aan kennis is te verhelpen door de Bijbel
serieus te nemen, want..... in die Bijbel lezen we o.a.: “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad” (,ylht Tehilim [Psalmen] 119:105). “Het openen van Uw woorden verspreidt licht,
het geeft de onverstandigen inzicht” (,ylht Tehilim [Psalmen] 119:130). “Want het gebod is een lamp en de
onderwijzing een licht, de vermaningen der tucht zijn een weg ten leven” (yl>m
Mishlei [Spreuken]
6:23). Wie de bijbel serieus neemt en G’ds woorden regelmatig tot zich laat
spreken zal daardoor G’ds licht op zijn levenspad ontvangen en zal daardoor
niet temidden van de geestelijke duisternis struikelen over telkens weer nieuwe
struikelblokken die de bovengenoemde handlangers van satan rondstrooien. Als
kinderen G’ds daarentegen naar eigen smaak en voorkeur een doe-het-zelf religie
in elkaar knutselen en zich door iedere wind van (dwaal)leer laten meevoeren
zal in de komende geestelijke duisternis hun afschuwelijke lot zijn wat we in i>vh Hoshea [Hosea] 4:14 lezen: “Zo komt het volk dat geen inzicht heeft,
ten val!”. Wie voor dat gruwelijke lot gespaard wil blijven en niet in die
buitenste duisternis wil eindigen doet er dus goed aan G’ds Woord te
bestuderen, want: “Het openen van Uw
woorden verspreidt licht” (,ylht Tehilim [Psalmen] 119:130). En omdat het
licht dat door G’ds Woord wordt verspreid feitelijk G’ds liefde is moge het
duidelijk zijn dat wanneer wij G’ds liefde willen leren kennen de bijbel
daarvoor absoluut onmisbaar is. Daar is geen vervanging voor in de vorm van
“nieuwe openbaringen” die door bepaalde dienaren van de duisternis met veel
vroom gepraat worden aangekondigd als vervanging voor de “verouderde” bijbel. “Yeshua haMashiach is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” zegt Hebreeën 13:8, dus als Yeshua niet verandert, verandert (of
veroudert) ook Zijn evangelie niet!! “G’d
is Licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij
gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen
de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het
licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Yeshua, Zijn Zoon, reinigt ons van alle
zonde” (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes]
1:5-7). Ik wens u allen een gezegend feest van het Licht: Chag sameach!